#005db9

Samen met de OVAM de lokale risicogronden inventariseren.

14.07.2015

Samen met de bodemsaneringsdeskundigen en lokale besturen brengt de OVAM alle (mogelijke) bodemverontreinigingen in kaart in het digitale ‘Grondeninformatieregister’ (‘GIR’). De OVAM helpt de gemeenten daarbij actief met raad en daad. Op het einde van de rit zal het GIR een wederzijds hulpmiddel zijn bij het afleveren van bodemattesten.

Nathalie Van Trier
Projectleider inventarisatie
Ronny Segers
Gemeente Puurs
Nathalie Van Trier
Projectleider inventarisatie
Ronny Segers
Gemeente Puurs

“Onze milieudienst is een van de grootste gebruikers van geografische informatiesystemen in de gemeente”, zegt Ronny Segers, hoofd van de milieudienst in Puurs en GIS-coördinator. Na zeven jaar zitten er zo’n 250 externe kaarten van het Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen (AGIV) in het systeem, maar ook eigen gebruikskaarten: alle vergunningen (bouw, verkaveling, milieu …), bodemgebruik, bermen, rioleringen, toelagedossiers, het gemeentelijk glasvezelnetwerk en specifieke zaken zoals de opstelling van de marktkramen en diverse as-builtplannen.

De gemeentelijke inventaris

Ook de potentieel verontreinigde gronden met een Vlarebo-rubriek zijn in een GIS-laag ingetekend. De OVAM helpt de gemeente om haar inventaris van risicogronden te vervolledigen en actueel te houden. “Drie jaar geleden scande iemand heel het Puurse archief van milieuvergunningen in”, vertelt Segers. “We hadden 3.500 dossiers in het GIS. Die zijn nu allemaal gekoppeld met hun beslissingen.” De gemeente ging daarbij terug tot 1860. De oudste vergunning bleek van een windmolen te zijn. Een eerste ‘milieuklacht’ kwam er begin 1900. “Het ging om een naaimachine van 1 pk om schoenen te stikken: de omgeving vreesde lawaaioverlast.”

Hoe pakken de gemeenten het aan?

In het najaar van 2012 lanceerde de OVAM het ‘webloket bodem’ voor gemeenten. Tegen 31 december 2013 moesten de gemeenten er hun gemeentelijke inventaris van risicogronden met een VLAREM-vergunning invoeren. Daarnaast zijn er ook potentieel verontreinigde gronden zonder VLAREM-vergunning. De gemeenten wisselden vooral informatie uit over risicogronden van 1991 tot nu met een VLAREM-vergunning. De volgende stap is om ook de informatie over risicoactiviteiten van vóór 1991 uit te wisselen. De OVAM wil de gemeenten daarbij helpen, onder meer door expertenteams te sturen. Zo moeten alle gemeenten hun inventaris van risicogronden tegen eind 2017 vervolledigd hebben. Tal van gemeenten houden die gegevens vandaag nog bij in fichebakken, andere houden het bij een bescheiden ‘Access’-databank. Grotere gemeenten ontwikkelden vaak een eigen systeem en doen een beroep op een handvol IT-dienstverleners voor milieuvergunningsystemen en op drie grote spelers voor GIS en data-uitwisseling.

Advies op maat

De gemeenten krijgen tot eind 2017 de tijd om een inventaris op te maken van inrichtingen die potentieel bodemvervuiling veroorzaken of hebben veroorzaakt, alsook van calamiteiten, onvergunde zaken zoals sommige stortplaatsen, enzovoort. Op basis daarvan stelt de OVAM het GIR op, dat alle grondpercelen inventariseert waarover ze informatie met betrekking tot de bodemkwaliteit heeft. Wie een bodemattest aanvraagt kan daarbij de gegevens uit het GIR krijgen. De OVAM schat het aantal risicogronden in Vlaanderen op 85.000. Het is de bedoeling die in kaart te brengen en waar nodig te saneren.

De OVAM lanceerde in 2012 een webloket waarlangs gemeenten hun gemeentelijke inventaris digitaal kunnen uitwisselen. Om dit proces verder te versnellen, voorziet ze vanaf 2015 advies op maat voor de gemeenten. “We bekijken per gemeente wat er moet gebeuren, en hoe dat in de praktijk het meest efficiënt kan”, zegt Nathalie Van Trier van de OVAM. Er werd een aanbesteding uitgeschreven voor de experten, die nu worden ingezet waar nodig. Men hanteert wel enkele criteria. Zo is het belangrijk dat de gemeente zelf reeds aan de digitale weg timmerde. “Die gemeenten kunnen we helpen om het proces helemaal rond te maken. Zo maken ze een betere kans hun risicogronden daadwerkelijk aan te pakken en nieuwe zaken bij te houden. Vaak is het immers wachten op een volledige inventaris.”

We bekijken per gemeente wat er moet gebeuren, en hoe dat in de praktijk het meest efficiënt kan.

Nathalie Van Trier, OVAM

Vlarem-rubrieken

Puurs had de lokalisering al gedaan; hier moest men alleen nog de VLAREM-rubrieken in het systeem stoppen. Twee OVAM-experten screenden in twaalf dagen tijd 1.239 vergunningen, waarvan er 1.025 een VLAREBO-rubriek meekregen. Bij twijfel vinkten de experten toch maar aan ‘voor alle zekerheid’. “Voordien telden we al zo’n 400 VLAREBO-dossiers op 120 à 130 percelen met risico-inrichtingen uit de periode sinds 1996”, rekent Segers. Het advies op maat gaf de gemeente een extra duwtje in de rug. “We moeten alleen nog een aantal dossiers uitzoeken van 1991 tot 1996, voor de start van VLAREBO, en er eventueel een VLAREBO-code aan linken.” “Zowat 60% van de gemeenten geeft aan dat ze nu niet goed weet hoe verder te gaan”, onthult Nathalie Van Trier. De vraag is meestal hoe een bepaalde VLAREBO-rubriek te interpreteren. De OVAM ontwikkelde een tool om snel te bepalen of een inrichting als 'risico-inrichting' wordt beschouwd en dus verplicht tot een bodemonderzoek: de ‘Risico-Inrichtingen-Tool’ of ‘RIT’. De lokale administraties kunnen ook altijd een beroep doen op de experten van de OVAM zelf.

Grote tijdwinst

Jaarlijks krijgt de milieuambtenaar van Puurs 600 tot 700 aanvragen over perceelgegevens. Nu hoeft hij niet meer telkens opnieuw de verschillende documenten bijeen te harken. Een milieuvergunning van jaren geleden? “Ik heb al een kopie verstuurd nog voor ik de hoorn neerleg.” Een notarisbrief rolt er uit met een druk op de knop. “Wat vroeger een paar uur vergde, is nu in enkele minuten geklaard.” Intussen start Ronny Segers ook nieuwe dossiers op vanuit het GIS. Via het dossierbehandelingsprogramma worden er rubrieken en data aan toegevoegd. “Wij kijken ook naar de rapporten van bodemonderzoeken bij de OVAM. Als die informatie gecentraliseerd is, kan ik het rapport direct op de OVAM-server oproepen.” “We willen het webloket inderdaad in twee richtingen laten lopen”, zegt Nathalie Van Trier. Gemeenten die het systeem voeden, kunnen er ook informatie uit halen. De GIS-lagen worden om de 14 dagen geüpdatet. “We willen naar een complete GIS-webservice die altijd actueel is.”

GERELATEERD