#005db9

De ultieme test voor coördinatie, communicatie en samenwerking.

02.07.2015

Zaterdag 4 mei 2013, 2 uur ’s ochtends. Op spoorlijn 50 Brussel-Gent ontspoort een goederentrein tussen Wetteren en Schellebelle. Vijf ketelwagens met 300 ton giftig acrylonitril vliegen na een explosie in brand. De trein trok ook enkele ketelwagens met ontvlambaar 1,3-butadieen. Het vuur verspreidt zich via de afwateringsgracht over enkele honderden meters. Een kleine twee jaar later vertellen de betrokken medewerkers van de OVAM en de gemeente en de crisismanager van LNE wat ze uit de aanpak van de treinramp geleerd hebben.

Astrid Verheyen
Medewerker dienst Interventies, Verwijderingen en Saneringen
Birgit Van Campenhout
Medewerker dienst Interventies, Verwijderingen en Saneringen
Kristel Spruyt
Milieuambtenaar van Wetteren
Wilfried Van den Acker
Crisismanager van het Departement LNE
Astrid Verheyen
Medewerker dienst Interventies, Verwijderingen en Saneringen
Birgit Van Campenhout
Medewerker dienst Interventies, Verwijderingen en Saneringen
Kristel Spruyt
Milieuambtenaar van Wetteren
Wilfried Van den Acker
Crisismanager van het Departement LNE

Giftige dampen waaronder blauwzuur kwamen vrij; blus- en rioleringswater verspreidden de gassen. Onmiddellijk werd het gemeentelijk rampenplan afgekondigd, met de burgemeester als coördinator. Later werd dat opgeschaald naar het provinciaal rampenplan. De brandweer liet de brandende wagens gecontroleerd uitbranden en koelde de andere met bluswater, dat op zijn beurt naar Schellebelle en Wetteren stroomde om er via de riolering in het zuiveringsstation van Aquafin te belanden. Dat station werd stilgelegd om te voorkomen dat het water in de Schelde zou terechtkomen. Al het opgevangen water werd naderhand overgepompt in drie schepen die het voor verwerking naar een bedrijf in Gent afvoerden. Toen de rampenfase 19 dagen later afgesloten werd, viel er één dode te betreuren, waren 100 mensen gewond geraakt en 400 mensen langs het ziekenhuis gepasseerd. Zo’n 2.000 mensen moesten meerdere dagen hun huis uit. Voor sommigen duurde dat zelfs drie weken.

Een snelle en goede samenwerking tussen heel wat instanties beperkte de gevolgen voor het milieu: onder andere de gemeente Wetteren, de provincie Oost-Vlaanderen, het departement LNE met de afdeling Milieuhandhaving, Milieuschade en Crisisbeheer (AMMC, voor het milieuschadedossier), de afdeling Milieu-inspectie (AMI, voor de controle bij verwerkers van de verschillende afvalstromen) en de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid (ALHRMG, voor de inschatting van de chronische gezondheidseffecten), de Vlaamse Milieumaatschappij (controle van het oppervlaktewater), INBO (informatie over fauna en flora), het Agentschap Zorg en Gezondheid en de OVAM (voor de bodemverontreiniging en verwerking van de afvalstromen). “De energie die daarin is gestopt was indrukwekkend”, evalueert Wilfried Van den Acker van het departement LNE bijna twee jaar later. Hij was crisismanager en besliste het ‘draaiboek milieu-incidenten’ op te starten. Hij trad op als contactpersoon bij vragen over het leefmilieu. “Bij dit soort rampen is het altijd de eerste keer.”

Informatiestorm

“Het uur nul was voor mij 4 uur ‘s ochtends”, vertelt Kristel Spruyt, milieuambtenaar in Wetteren, die met politiesirenes uit bed werd gehaald. “Het duurde een paar uur vooraleer de crisiscel met brandweer, politie, burgemeester … georganiseerd raakte.” Het aanvankelijke gebrek aan informatie werd al snel gevolgd door een informatiestorm. “Pas toen afgesproken werd om nieuwe informatie thematisch en om het kwartier te delen, werd het overzichtelijker. Op een scherm werd het logboek geprojecteerd.” Om 8:15 uur werd crisismanager Wilfried Van den Acker gecontacteerd door medewerkers van VMM. Hij zette het ‘draaiboek milieu-incidenten’ in gang. Stilaan kwam er een gigantische informatiestroom aan: analyseresultaten van waterstalen uit de vervuilde beken, de verwerkingsmogelijkheden ... “Het was mijn taak die gegevens te verspreiden bij de andere milieudiensten.” Omdat er zo vele leefmilieudiensten van de Vlaamse overheid betrokken waren, werd er bij minister Schauvliege een coördinatievergadering georganiseerd waar onder andere de VMM verslag uitbracht. De situatie werd in kaart gebracht. “Het belangrijkste was de perimeters en evacuatiezones af te bakenen.” Contact werd gelegd met de experts van BASF, die informatie hadden over de betrokken producten en hun kenmerken, over de gevaren en hoe ze te blussen. “Het duurde even voor we wisten wat er in welke wagon zat. De eerste was gescheurd, de andere brandde, nog een andere was gekanteld.” Er zaten verschillende producten in de tanks. Op de vele vragen liepen de antwoorden door elkaar binnen.

“De informatiestroom was zo groot dat ik besliste om zelf naar het crisiscentrum te komen,” zegt Van den Acker. Tegenstrijdige informatie vertraagde de werking van de crisiscel. Binnenlopende informatie moest geverifieerd worden, vragen naar informatie moesten op een gecoördineerde manier beantwoord worden. Een vraag als “Wat doe je met gazonmaaisel?” bijvoorbeeld, kreeg tegenstrijdige antwoorden. Het Federaal Agentschap voor Voedselveiligheid (FAVV) vond er geen vervuiling in en koeien mochten het dus eten. Maar het moest dan weer afzonderlijk afgevoerd worden naar het containerpark omdat het niet in een composteringsstroom met kwaliteitsborging mocht terechtkomen. Toen het probleem gekaderd was, besliste men om een afzonderlijke ophaalronde te doen. Maar die is uiteindelijk nooit gebeurd omdat er in de praktijk geen gras gemaaid is.

Geld smeert de samenwerking

Zo’n ramp kost heel veel geld. Veel betrokkenen zijn dan ook terughoudend om zich te engageren, want er is altijd een onvoorzien kostenplaatje aan verbonden. “Je hebt dan wel de bevoegdheid om bedrijven op te vorderen, maar die vragen wie het allemaal gaat betalen. Het feit dat er iemand opstond en zei het noodzakelijke te zullen doen, zorgde voor een doorbraak”, vertelt Wilfried Van den Acker. Infrabel stelde voor de kosten te betalen om de veiligheid van de burgers te garanderen en het probleem in te dijken, zonder daarom de verantwoordelijkheid voor het ongeval zelf op zich te nemen.

Bodemverontreiniging

De zorg van de OVAM ging (naast de correcte afvoer van enkele mogelijk verontreinigde afvalstromen zoals het vrijgekomen bluswater en het grasmaaisel) vooral naar de mogelijke bodemverontreiniging en de correcte behandeling van het bluswater. De OVAM was vanuit de crisiscel het aanspreekpunt voor bodemkwaliteit voor de NMBS-Holding/Infrabel en het Gemeentelijk Coördinatie Comité.

Zodra de situatie stabiliseerde, liet de OVAM in de directe omgeving van het treinongeval boringen uitvoeren en bodemstalen nemen. Eerst binnen een perimeter van 300 meter rond de plek van het ongeval, later ook op de plaats van het ongeval. Daarnaast zorgde de OVAM voor het uitschrijven van een ‘Besluit veiligheidsmaatregelen’. Door dit besluit waren acties als ontgraving, het aanleggen van drains of het oppompen en zuiveren van vervuild grondwater ineens vergund, en kon de saneringsplichtige onder legale omstandigheden alle nodige acties uitvoeren.

Nadat de treinwrakken waren geruimd, nam een erkende bodemdeskundige bodemstalen in opdracht van NMBS Holding. De OVAM drong er ook op aan meteen voldoende onderzoek uit te voeren en voldoende vervuild slib uit te graven van de grachten waarin de gevaarlijke producten terechtkwamen. Zo werd verdere verspreiding van de verontreiniging vermeden. Er kwam ook een drainagesysteem om verontreinigd grondwater op te pompen en te zuiveren. “Deze snelle aanpak had resultaat; een klein half jaar na het treinongeval was de kwaliteit van het vaste deel van de aarde en het grondwater quasi stabiel. Opvolging blijft voorlopig nog wel nodig”, vertelt Astrid Verheyen bij de OVAM.

Aangespoord door bewoners die vragen hadden, zorgde de OVAM ook voor één e-mailadres waar mensen met al hun vragen terecht konden, zegt Birgit Van Campenhout. “We kregen heel uiteenlopende vragen: of ze hun tuingroenten mochten eten, of hun kinderen in de tuin mochten spelen, of ze hun opgepompt grondwater mochten gebruiken ... De OVAM zorgde voor een vlotte verspreiding van de vragen naar de bevoegde overheden, zodat alle bewoners correct en snel geïnformeerd werden. Omdat er ook ongerustheid was over de bodemkwaliteit als gevolg van luchtemissies, stelde de OVAM een deskundige aan om in een radius van 1 km op een dertigtal plaatsen bodemtopstalen te nemen, die uitsluitsel konden geven en de bewoners gerust konden stellen.

Aanslag op het werkingsbudget

De VMM nam stalen van oppervlakte- en putwater en analyseerde ze. Ook de OVAM nam oppervlakkige bodemstalen. Dat alles nam een flinke hap uit het werkingsbudget. De overheid probeert die wel te verhalen, maar zo is het budget van een organisatie toch wel snel opgesoupeerd. “Eén van de lessen die we uit dit incident trekken, is dat we zijn gaan zoeken naar een andere manier van budgettering voor milieu-incidenten”, weet Wilfried Van den Acker vandaag. Het federale Koninklijke Besluit ‘Noodplanning’ beschrijft de verschillende opschalingsfasen: van gemeentelijk naar provinciaal naar federaal. Daar zijn de regio’s dus niet bij, hoewel regionale instanties wel moeten interveniëren. “Als onderdeel van de Vlaamse overheid moesten wij onze weg daarin vinden”, zegt Van den Acker. De ramp illustreerde de concrete nood aan een Vlaams crisiscentrum. “Dat is er nu sinds eind 2014. Het coördineert alle Vlaamse diensten bij rampen.”

Draaiboeken en noodplannen

Het ‘draaiboek milieu-incidenten’ is generiek. Elk incident is immers anders, zodat steevast een andere combinatie van bevoegde autoriteiten en mensen betrokken moet worden. De interactie in de crisiscel is er niet alleen één van organisaties, maar ook van individuen. En dus van diverse karakters. “Maar het draaiboek werkt”, zegt crisismanager Wilfried Van den Acker. Sindsdien is het nog twee keer toegepast: bij de brand in november 2014 bij Shanks in de Gentse haven, en midden januari 2015 toen twee tankers op de Westerschelde botsten en styreen in het water terechtkwam.

GERELATEERD